Blason  Abdij Saint-Joseph de Clairval

F-21150 Flavigny-sur-Ozerain

Frankrijk


Downloaden als pdf
[Cette lettre en français]
[This letter in English]
[Dieser Brief auf deutsch]
[Esta carta en español]
[Questa lettera in italiano]
6 maart 2018
Sint Jozefmaand


Dierbare Vriend van de Abdij Saint-Joseph de Clairval,

«Als iemand u een beker water te drinken geeft omdat gij van Christus zijt, voorwaar Ik zeg u: zijn loon zal hem zeker niet ontgaan (Mc 9,41). In zijn preek ter gelegenheid van de zaligverklaring van kardinaal Giuseppe Benedetto Dusmet, 25 september 1988, verklaarde heilige Johannes Paulus II dat deze die woorden van het Evangelie bepaald lang heeft overpeinsd… Hij heeft een monument opgericht van evangelische naastenliefde in een tijd die voor de Kerk bijzonder veelbewogen is geweest, met hoog oplaaiende conflicten en diep ingrijpende veranderingen in de politieke en sociale structuur van het land, in een regio die diep werd getroffen door ernstige natuurrampen: cholera-epidemieën, aardbevingen, overstromingen, uitbarstingen van de Etna, zonder te spreken van de constante rampzalige ellende waarin de misdeelden leefden?»

Als officier in de Belgische marine, lijdt kapitein-ter-zee Louis Dusmet niet ver van de kust van Sicilië schipbreuk. Hij vestigt zich dan op dit eiland en trouwt er met markiezin Maria Dragonetti. Op 15 september 1818 verwelkomen de jonge echtelieden hun eerste zoon. Bij zijn doop wordt het kind onder de bescherming van twaalf heiligen geplaatst, maar in het gezin wordt hij Melchior genoemd. Hij zal zes broers en zussen krijgen. Vanaf zijn vijfde levensjaar vertoont Melchior een neiging tot daden van vroomheid en naastenliefde jegens de armen. Zijn ouders vertrouwen hem toe aan de Benedictijner Paters van de abdij van San Martino delle Scale, niet ver van Palermo op Sicilië. Door hen wordt hij voorbereid op de Communie en het Vormsel.

De wereldse verlokkingen

Aan het eind van zijn eerste schooljaren geeft de jongeman te kennen dat hij kloosterling wil worden. Bij wijze van antwoord neemt zijn vader hem mee naar Napels en laat hem de wereld ontdekken om te zien hoe betrouwbaar zijn roeping was. Niets vermag zijn verlangen aan het wankelen te brengen. Hij treedt dus in op vijftienjarige leeftijd in de abdij San Martino, en neemt er de naam Giuseppe Benedetto aan. Op 15 augustus 1840 legt hij zijn eeuwige geloften af. Twee jaar later, op vierentwintigjarige leeftijd, wordt hij tot priester gewijd. Zijn Abt geeft hem opdracht wijsbegeerte en godgeleerdheid te gaan onderwijzen, alsook een oplossing te vinden voor de interne geschillen in de communauteit die ten dele te wijten zijn aan de overdreven verzameling van aardse goederen. Pater Giuseppe Benedetto die met ijver de Regel in acht neemt en begenadigd is met een grote werkcapaciteit, wordt geconfronteerd met een aantal medebroeders die niet meer volgens de oude regels van de orde leven. Abt Dom Carlo Antonio kiest hem echter als particulier secretaris. In 1847 wordt Dom Carlo tot Abt van Santa Flavia in Caltanissetta gekozen; pater Giuseppe volgt hem naar deze abdij. Hij valt er weldra op door zijn kwaliteiten en de bisschop van het diocees kiest hem als raadslid, zowel op spiritueel niveau als voor de aardse zaken.

In 1850 wordt Pater Giuseppe Benedetto, tweeëndertig jaar oud, benoemd als coadjutor van de Prior van de abdij Santo Severino a Sosio, in Napels. Als toonbeeld van religieuze observantie, raadgever naar wie wordt geluisterd, voorzichtige en milde administrator, aarzelt hij niet persoonlijk het voedsel uit te delen aan de talloze bedelaars die zich verdringen voor de poort van de abdij. Een tiental jaren doet men een beroep op hem om moeilijkheden op te lossen in verschillende communauteiten. Wanneer hij naar het klooster San Nicola in Catane wordt gestuurd, waar men het niet meer zo nauw neemt met de discipline, blaast de Abt weldra de laatste adem uit en volgt hij hem op in 1858. Het klooster wordt dan door velen beschouwd als «een plek van vele zaligheden waar het leven verloopt zonder zorgen om heden of toekomst, met vrolijke banketten, weelderige ceremonies, luchtige conversaties en gezellige uitstapjes». Dom Giuseppe Benedetto start zijn periode als abt zonder enige uiterlijke festiviteit en doet zijn best met vastberadenheid en liefde de orde in het klooster te herstellen. Op de eerste plaats spoort hij door zijn eigen voorbeeld de paters aan hun particuliere dienaren op te geven. In de zomer die de communauteit gewoonlijk doorbrengt in Nicolosi, gaan sommige monniken vaak naar het casino om er te kaarten, soms tot diep in de nacht. Zonder ze verwijten te maken stelt de Abt zich op aan de ingang van het etablissement en zijn aanwezigheid alleen al volstaat om hen duidelijk te maken dat hun gedrag niet in de haak is en dat ze ermee moeten stoppen.

Dom Giuseppe Benedetto brengt de door H. Benedictus gedane aanbeveling ten uitvoer: «De Abt moet de leer aan zijn leerlingen op twee manieren aanreiken: door te laten zien dat al wat goed en heilig is nog meer door de werken dan door de woorden; zodat hij zijn leerlingen, die de intelligentie bezitten, mondeling de geboden van de Heer en hen die een hart van steen hebben of bekrompener van geest laat hij door zijn werken de goddelijke voorschriften zien; eveneens door zijn daden moet hij zijn leerlingen leren hetgeen tegenstrijdig is met de wet van God te vermijden» (Regel, hfdst. 2).

De laatste die vertrok

In Catane is de invloed van het jansenisme nog voelbaar onder de clerus en de gelovigen. Om dit te verhelpen introduceert Vader Abt de eredienst van het Heilig Hart van Jezus, een eredienst van herstellende liefde en vertrouwen, en bevordert het ontvangen van de sacramenten. Hij aarzelt niet bij tijd en wijle ambulant missionaris te worden met bezoeken aan huis. Hij blijft buiten de politieke gebeurtenissen die het leven in Italië verstoren in de jaren 1860, maar roept de “Sint Pieterspenning” in het leven die fondsen werft ter ondersteuning van de Paus die langzaam maar zeker van zijn staten wordt beroofd door het nieuw opkomende Italië. In 1860 maakt het “Koninkrijk Italië” zich meester van Sicilië: er worden wetten gestemd die de religieuze orden opheffen. Tijdens de confiscatie van zijn klooster is Pater Dusmet de laatste die het gebied verlaat. Hij vlucht naar een moedige kanunnik en weigert zich naar Turijn te begeven om te onderhandelen over het voortbestaan van zijn communauteit. Sommigen nemen het hem kwalijk, maar het vervolg van de gebeurtenissen zal aantonen dat de mogelijkheden die door de regering werden aangeboden pure verlakkerij waren.

Vanwege de politieke onlusten bleef de bisschopszetel van Catane vacant vanaf 1861. Begin 1867 benoemt de Paus Dom Giuseppe Benedetto tot aartsbisschop van Catane. Deze keuze zorgt voor algemene vreugde in het diocees; alleen de direct belanghebbende voelt droefheid en ongerustheid. Hij ontvangt de bisschoppelijke wijding op 10 maart 1867 in Rome. Onverwijld stuurt hij een pastoraal schrijven naar zijn gelovigen waarin hij de motieven uiteenzet die hem ertoe hebben bewogen die waardigheid te aanvaarden: «In zo’n moeilijke situatie zich onbevoegd verklaren zou hebben betekend zich schuldig maken aan het van ons afschuiven van een kelk van bitterheid en de gemeenschappelijke vader van de gelovigen (de Paus) alleen laten met de zware last; weigeren zou lafhartig zijn geweest.» Hij geeft aan wat er in zijn ambtsperiode op het programma staat: hervorming van de clerus, geloofsgroei bevorderen, trouw aan de Heilige Vader, nederigheid en gebed; hij geeft een ereplaats aan de deugd van de naastenliefde die hem na aan het hart ligt: «Zo lang wij een stuk brood hebben zullen we het delen met de armen. Onze deuren zullen altijd openstaan voor alle vormen van ellende en leed. De openingstijden die we aan de deur zullen ophangen mogen niet verhinderen dat behoeftigen op ieder tijdstip ontvangen worden. Wij zullen proberen hulp te verlenen maar, zelfs als de materiële middelen zouden komen te ontbreken, zullen we altijd een woord van bemoediging en troost te bieden hebben.»

De nieuwe aartsbisschop is sterk beïnvloed door de Regel van H. Benedictus over de taak van de Abt van een klooster: «Bovenal moet hij het heil van de zielen die hem zijn toevertrouwd niet uit het oog verliezen of van minder belang achten om meer zorg te besteden aan vergankelijke, aardse en onbestendige dingen; maar hij moet juist altijd bedenken, dat hij het bestuur van zielen op zich heeft genomen, en dat hij over dezen dan ook rekenschap zal moeten afleggen.» (Regel, hfdst 2). Mgr. Dusmet herinnert zich ook wat H. Benedictus schrijft over de econoom van het klooster: «Hij moet vooral nederig weten te zijn; en als hij iemand niets geven kan, moet hij hem minstens een vriendelijk antwoord aanreiken, want zo staat er geschreven: Zo is een woord ook beter dan een geschenk (Si, 18,17)» (ibid. hfdst 31)).

Twee kamers

Eenmaal aartsbisschop geworden, tracht Dom Giuseppe Benedetto Dusmet zijn monastieke levenswijze te bewaren. Hij staat vroeg op, draagt de Mis op, woont als dankzegging die van zijn secretaris bij, drinkt een kop koffie en gaat vervolgens naar de naburige kerk die is toegewijd aan Heilige Agaath. Dan pas begint zijn nijvere werkdag die zelfs niet door een beetje rust in het begin van de namiddag wordt onderbroken. De lunch bestaat uit een paar vruchten en een beetje water. Zijn hoofdmaaltijd, zeer sober, nuttigt hij ’s avonds. Tijdens de Vasten eet hij geen vlees. In het bisschopshuis laat hij twee kamers inrichten, een gemeubileerd zoals het hoort, bestemd voor de aartsbisschop, de andere, veel eenvoudiger, waar de monnik gewoonlijk ter ruste gaat. Een kruisbeeld, een beeltenis van de Heilige Maagd en een grote rozenkrans, souvenir van een bedevaart naar Lourdes, zijn er de enige versieringen. Hij brengt overigens een deel van de nacht door in de kapel, met bidden en mediteren. Te midden van de pastorale regeringszaken doet hij zijn best naar binnen gekeerd te blijven. Hij beschouwt zichzelf als een zondaar en beveelt zich aan in de gebeden van de armen die hij bijstaat, om van God vergeving voor zijn zonden te verkrijgen. In de stad gaat hij te voet rond en maakt nooit gebruik van een rijtuig; een enkele kamerheer begeleidt hem en hij draagt als teken van zijn waardigheid een klein gouden kruisje op zijn monastiek habijt. In de uitoefening van zijn gezag maakt hij geen gebruik van de bevelende toon, zelfs niet tegenover de mensen die bij hem in dienst zijn. Zijn voorbeeld is H. Franciscus van Sales.

Deze grote kerkleraar, bisschop van Genève, beveelt de zachtheid aan, steunend op het woord van Jezus: Leert van Mij: Ik ben zachtmoedig en nederig van hart (Mat. 11,29). De nederigheid, zo merkt hij op, vervolmaakt ons jegens God, en de zachtheid jegens de naaste: «Ontsteek, indien mogelijk, nooit en te nimmer in gramschap en geef onder geen beding, wat dan ook, gehoor aan de roep de deur van uw hart te openen voor de gramschap.» Maar indien woede ons hart is binnengedrongen «moeten wij de hulp van God inroepen… want Hij zal bevel geven aan onze hartstochten zodat deze ophouden, en de rust zal groot zijn. Maar altijd zal ik u waarschuwen dat gebed tegen de aanwezige en zich opdringende woede zachtmoedig en niet gewelddadig moet worden uitgevoerd… Wanneer u, daarenboven, in rust verkeert en zonder enige reden tot woede, voer al uw daden, grote en kleine, met de grootst mogelijke zachtheid uit.» De Heilige beveelt vervolgens de zachtheid jegens zichzelf aan: «Laten we nooit teleurgesteld zijn over onszelf noch over onze onvolmaaktheden…, want het hoeft geen verbazing te wekken dat het gebrek gebrekkig is en de zwakheid zwak. Veracht niettemin met al uw krachten de belediging die God van u ten deel is gevallen» (Inleiding tot het devote leven, deel drie, hfdst. 8).

Hem niet kwetsen

Vanaf het begin van zijn bisschopsambt verdedigt Mgr. Dusmet met kracht de rechten van de Kerk. De ministeriële ambtenaren die belast zijn met de toepassing van de antiklerikale wetten handelen ten opzichte van hem met de grootste voorzichtigheid, «om zo’n man niet te kwetsen», zeggen ze, maar nog meer uit vrees voor de publieke opinie die hun niet welgezind is. Deze omstandigheden maken het de prelaat mogelijk langzaam maar zeker het merendeel van de door de regering geconfisceerde kerken, evenals het seminarie terug te vorderen en gedaan te krijgen dat de huizen van de religieuzen weer open gaan. Weldra dwingt hij zich een bezoek af te leggen aan het diocees in zijn geheel, zelfs aan de meest afgelegen gehuchten. Hij organiseert parochiemissies en benadrukt de noodzaak van het catechismusonderwijs. Om aan de verschillende behoeften van zijn diocesanen tegemoet te komen richt hij talloze verenigingen en scholen op waarvoor hij grote zorg draagt, richt een tehuis op voor bejaarden en laat de Kleine Zusters van de Armen komen om voor hen te zorgen. Ten gunste van de armen organiseert hij een liefdewerk dat steun aan huis verleent en zorgt ook voor een hospitaal.

Bewust van het belang van de rol van leken in het apostolaat, wil aartsbisschop Catane dat gelovigen in staat zijn rekenschap af te leggen van hun geloof tegenover ongelovigen. Hij richt voor hen twee tijdschriften voor de scholing in de leer op, en betrekt leken hulpkrachten bij zijn initiatieven.

Hij loopt daarmee vooruit op de standpunten van heilige Johannes Paulus II die zal schrijven: «Ook de leken gelovigen worden persoonlijk door de Heer geroepen, van wie zij een zending ontvangen voor de Kerk en voor de wereld... De doctrinaire vorming van de leken gelovigen blijkt nu steeds dringender, niet alleen vanwege de natuurlijke dynamiek van de geloofsverdieping, maar ook vanwege de eis om tegenover de wereld en haar ernstige en ingewikkelde problemen verantwoording af te leggen van de hoop die in hen leeft. Een systematische catechese actie, die geleidelijk moet verlopen in verband met de leeftijd en de verschillende levensomstandigheden... Vooral voor de leken gelovigen die zich op verschillende wijzen inzetten op sociaal en politiek terrein, is in het bijzonder een meer nauwkeurige kennis van de sociale leer van de Kerk volstrekt onmisbaar» (Exhortatie Christifideles laici, 30 december 1988, nrs. 2 en 60).

Mgr. Dusmet let er ook op dat de gelovigen worden gevormd voor het gebedsleven; hij organiseert bedevaarten, begunstigt vrome praktijken in de Mariamaand en de verering van het Heilig Hart. Ieder jaar schrijft hij een herderlijke brief over de Maagd Maria. Zo zal hij in de maand mei 1893 kunnen zeggen: «Ondanks het groot gebrek aan werken van verdiensten die mij zullen begeleiden wanneer ik kom te overlijden, denk ik op zijn minst mijn vijfentwintig Mariabrieven te kunnen overleggen aan de Koningin der Barmhartigheid wanneer het zover is». Met aandacht voor de intellectuele vorming van zijn priesters en uit zorg voor hun zedelijk leven, reorganiseert hij het diocesaan seminarie. In zijn eerste herderlijk schrijven had hij hun gezegd: «Doet uw best, broeders, de achting van de buitenwereld te winnen door een goed gedrag, door heel blij te zijn met uw positie, zonder elders iets anders te zoeken, zonder overal en nergens te zijn, en door in grote eenheid onder elkaar te leven. De sfeer van de politiek en partijvergaderingen, de geest van onenigheid zijn binnen de geestelijkheid niet op hun plaats; zich boven de gebeurtenissen van deze wereld uit verheffen, zich laven aan de zuivere bronnen van de goddelijke genade, zich plaatsen onder het licht van God, dat is de taak van de priester.» In die tijden van politieke onrust laten de geestelijken het inderdaad niet zelden afweten. De aartsbisschop moet de eigenzinnige soms berispen, maar omdat hij vastbesloten is «zachter te zijn dan gerechtigd, spreekt hij straffen uit van korte duur. Om te voorkomen dat men niet in gebreke blijft bevordert hij de heiliging van zijn clerus door de geestelijke oefeningen en maandelijkse bijeenkomsten.

Hoe te besturen

De raadgevingen van H. Benedictus helpen de prelaat bij het besturen: «In zijn onderricht moet de Abt de vorm volgen die door de Apostel is gegeven in deze bewoordingen: Berisp, smeek, dreig (2 Tim 4,2). Zo moet hij zijn manier van handelen variëren naar gelang de ogenblikken en de omstandigheden, strelingen voegen bij de bedreigingen, nu eens de strengheid van een meester laten zien, dan weer de liefde van een vader. En zo ook moet hij ongedisciplineerde en ongedurige geesten strenger berispen, terwijl hij kan volstaan met onderdanige, zachtaardige en geduldige karakters met aandrang op te wekken om nog meer voortgang te maken. Betreft het nalatige en minachters van de tucht, dan manen wij hem aan hen streng te straffen en tegen hen op te treden… Als hij moet straffen, zal hij voorzichtig te werk gaan en vermijdt hij iedere overdrijving, want als men al te hardhandig het roest van een pot wil schuren, zou men hem wel eens kunnen breken. Laat hij zijn eigen broosheid altijd indachtig zijn, en bedenken, dat men het geknakte riet niet mag breken (Jes. 42,3)» (Regel, hfdst. 2 en 64).

De cholera breekt uit in Catane in 1867. Men ziet dan de aartsbisschop de huizen en de krotten binnengaan om zieken en stervenden te bezoeken, hulp te bieden aan overlevenden. Wanneer men uit vrees dat hij de ziekte zou oplopen de deur voor hem weigert te openen, aarzelt hij niet door het raam of over het balkon binnen te komen. Wanneer al te bange zieken de voorgeschreven geneesmiddelen weigeren, slikt hij er zelf een paar druppels van in om te laten zien dat ze niet schadelijk zijn. Ter verlichting van al deze ellende verkoopt hij vazen die het bisschoppelijk paleis sieren en steekt zich zelfs in de schulden. Hij geeft zelfs zijn kostbaar borstkruis op, maar de Catanezen kopen het weer op en geven het hem terug. Twintig jaar later wordt de stad door dezelfde plaag getroffen, en de aartsbisschop komt weer met dezelfde toewijding en ijver te hulp en dezelfde naastenliefde laat hij de vrije loop wanneer het gebied wordt getroffen door aardbevingen, hongersnood of stormrampen..

In 1885 wordt Mgr. Dusmet op verzoek van Paus Leo XIII, buiten het beheer van zijn eigen diocees, belast met het beheer van Castiglione, met de opdracht het dan lopend conflict tussen de kerkelijke en burgerlijke gezagsdragers te beslechten. Geholpen door zijn tact, zijn even zachtmoedige als hardnekkige vastberadenheid, en zijn naastenliefde is hij succesvol in deze delicate kwestie. In 1886 vertrouwt de Heilige Vader hem opnieuw een belangrijke opdracht toe: in Italië de Orde der Benedictijnen herstellen die ernstig is beschadigd door de antigodsdienstige wetten, en de eenheid binnen de Orde bevorderen. De Abten van de overlevende kloosters van de benedictijnse congregatie van de Monte Cassino komen onder zijn leiding bij elkaar en nemen een aantal beslissende koerswijzigingen aan. In zijn slotrede beveelt Mgr. Dusmet hun vooral aan de broederliefde te betrachten. 

Het lukt hem vervolgens de medewerking te krijgen van alle Abten in de hele wereld, om de confederatie te creëren van alle Benedictijner Congregaties die in de loop van de geschiedenis tot stand zijn gekomen. Aldus is de Benedictijner Confederatie tot stand gekomen met twee eenheidsorganen: een Abt-Primaat en een Hoger Onderwijscollege, beiden in Rome zetelend, in de abdij van San Anselmo, die aan het eind van de eeuw zal worden gebouwd.

«Ik heb geloof!»

De stad Catane en haar omgeving worden voortdurend bedreigd door de uitbarstingen van de Etna. In 1886 komt hierdoor de stad Nicolosi in gevaar. De pastoor gaat erheen, draagt op een plein de Mis op en roept de bewoners op zich in vertrouwen tot God te wenden en de sacramenten te ontvangen. Een enorme stroom lava die reeds vele mensen dwingt hun huizen te verlaten rukt echter op naar de bebouwde kom. Mgr. Dusmet laat dan uit Catane de reliekhouder halen met daarin de sluier die het graf van H. Agaath had bedekt (maagd en martelares in 251) teneinde het gebaar te hernieuwen van de zalige Petrus Geremia. Deze dominicaan had reeds in de XIVe eeuw hetzelfde gevaar hierdoor bezworen. Zij die hem er opmerkzaam op maken dat zijn gebaar nogal onvoorzichtig is krijgen van de aartsbisschop het resolute antwoord: “Ik heb geloof!” te horen. Hij gaat naar de vulkaan, gevolgd door de clerus en het volk, en maakt tot driemaal toe het kruisteken met de sluier, in de richting van de lava. De stroom gesmolten lava stopt en blijft liggen alsof ze werd versperd; twee weken later is de uitbarsting over.

In 1889 wordt Mgr. Dusmet door Leo XIII gecreëerd tot kardinaal. Bij het in bezit nemen van zijn titulaire kerk, de kerk Santa Pudenziana in Rome, ziet hij af van de gewoonte een luxueus banket aan te bieden en schenkt het bespaarde geld aan liefdadigheidswerken. Wanneer hij weer terug is in Catane blijft hij wie hij was, nederig en arm. Hij nadert echter de leeftijd van vijfenzeventig jaar, zijn krachten nemen af en hij voelt duidelijk het gewicht van zijn lange ambtsperiode van bisschop. Men hoort hoe hij zegt: «Oh! Wat een vreugde te sterven, naar het paradijs, het paradijs te gaan!». De laatste kerk die hij bezoekt is de kerk die hij heeft laten bouwen ter ere van de verschijningen van Onze-Lieve-Vrouw in La Salette. Weldra dwingen de niervergiftiging en haar consequenties hem het bed te houden en niet meer op te staan. Deze toestand duurt meerdere maanden. Hij ontvangt tenslotte de laatste sacramenten met godsvrucht en smeekt vervolgens: «Laat me niet in het Vagevuur; de verantwoordelijkheid van een bisschop is groot». Hij sterft op 4 april 1894 na meerdere malen te hebben herhaald: «Oh, Heilige Jozef, spoed u! Geef mij aan uw Jezus! Heilige Jozef, neem mij snel, mijn koffer staat helemaal klaar! Moge ik de dood der rechtvaardigen sterven en moge mijn einde op dat van hen gelijken!» Overeenkomstig zijn laatste wilsbeschikkingen krijgt hij een begrafenis in de grootst mogelijke eenvoud, in aanwezigheid van een grote toeloop van mensen.

Op 25 september 1988 verklaarde heilige Johannes Paulus II: «Hoewel opgevoed in een rijke aristocratische familie, wist kardinaal Dusmet van de armoede die hij beleefde ten dienste van en als gave van zichzelf aan de anderen, een stelselmatige en constante levenskeuze te maken die zo radicaal was dat men bij zijn dood nog geen laken meer kon vinden waar men hem in kon wikkelen: hij had zich van alles ontdaan om de armen te kleden als wier nederige dienaar hij zichzelf beschouwde». Laten we hem vragen voor ons de genade te verkrijgen om, naar ieders vermogen, de voorbeelden van naastenliefde en nederigheid die hij ons heeft nagelaten, na te volgen.

Dom Antoine Marie osb

Om het Blad van de Abdij Saint-Joseph de Clairval te publiceren in een tijdschrift, blad... of on het internetsite of een website te plaatsen, is een toelating vereist. Deze dient te worden aangevraagd per E-Mail or bij http://www.clairval.com.

Index der Briefe  - Home Page

Webmaster © 1996-2019 Traditions Monastiques